Dan opeens hoorden we zware stappen op de begane grond, de kelder deur vloog open en iemand riep: “Is er iemand?” “Ja, riep ik, hier, ik kan niet lopen!”

Een hospik nco kwam naar beneden en leunde over me heen. “We zullen je hier weg krijgen, maar heb nog even geduld” en verdween. Na een tijdje kwam hij terug met twee andere mannen en ze brachten mij naar boven. De hospik legde uit dat hij mijn dode kameraden had zien liggen en had een bloedspoor gevolgd tot aan de deur van deze boerderij.

Een ambulance konvooi reed voorbij, de hospik nco zwaaide om ze halt te laten houden maar de chauffeurs riepen dat er geen plek meer was. Het was duidelijk dat ze gewoon zo snel als mogelijk weg wilden uit de artillerie zone. Wijzend naar mij riep de hospik nco “deze man gaat mee!” De chauffeur en bijrijders schreeuwden terug: “het voertuig is vol!”

De nco sprong voor het voertuig om het te laten stoppen en opende de achterklep. De bijrijder stapte uit en begaf zich naar de achterkant om te laten zien dat alles vol zat.

De nco wees naar een dode soldaat op een bankje “haal hem eruit!” De gedode soldaat werd uit de vrachtauto gehaald en naast me gelegd, ik zag alleen zijn gezicht, vol met bloed door zware verwondingen. Het moment was aangebroken, ik keek nog een keer naar de plek waar mijn kameraden ooit stonden, allemaal ncos van de marine, allemaal dachten ze morgen terug te kunnen keren naar hun eigen compagnieën..

De ambulance reed op verschillende snelheden, langzaam en dan weer snel door het terrein.. ik wist niet meer wat ik moest denken, maar ik was blij om weg te zijn van al die ellende. Twee kleine raampjes in de achterklep lieten mij vele flitsen zien, inslaande artillerie. Soms stopte het voertuig en de chauffeur vloekte op alles wat hem in de weg kwam..

Het was vroeg in de morgen, de ambulance stopte en de deuren gingen open. Ik werd uitgeladen met stretcher en al en werd geplaatst voor de houten deur van een boswachter huis. Vele ambulances reden op en af. Er was een tijdelijk hospitaal opgericht. De plek voor het huis was ingesteld als ‘wachtruimte’. De medische staf arriveerde met dekens en behandelde gewonden naargelang de ernst van de verwondingen. Degen die overleden werden naast het gebouw gelegd. Het was bijna lopende band werk.. de ene na de andere gewonde werd naar binnen gebracht.

Dan was het mijn beurt. Ik werd naar binnen gedragen naar kamer van 12x20 voet, in het midden stond een tafel. Ik werd op tafel gelegd en twee verplegers trokken mijn jas uit. Twee vriendelijk doktoren bekeken eerst mijn doorboorde schouder, “je hebt geluk” zei eentje van hen.

Een tweede stuk schrapnel was door mijn elleboog gegaan en alweer zeiden ze dat ik geluk had. Toen ze bezig waren met het behandelen van de wonden draaide ik mijn hoofd, tegen de muur stonden grote manden, gevuld met geamputeerde armen en benen. Aan de tafel naast mij was een doktor bezig met een zaag, ik realiseerde mij hoeveel geluk ik had..

Tenslotte verwijderden ze mijn schoen, waar een splinter doorheen was gevlogen. Toen ze bezig waren met mijn voet vroeg ik aan de doktoren “zal ik ooit weer kunnen dansen op mijn voet?” Ze keken elkaar verbaasd aan en vroegen “ben je een goede danser?” Ze lachten en zeiden dat alles wel goed zou komen en noemden me een geluksvogel.


Ik werd verplaatst naar Schonecken samen met andere gewonde soldaten. De plek waar ik eerder al was gestationeerd en een korte training kreeg op de ‘close combat’ school. We werden geplaatst in een oude school. De zwaar gewonden lagen in bedden, de rest op de grond. De kamer was al snel overvol en de verplegers deden wat ze konden.

Onder de gewonde veel jonge SS soldaten. Er was een continuïteit van mannen die werden gebracht en anderen die weer werden verplaatst. Een paar dagen later hoorden we motoren boven onze hoofden. Volgens het medische personeel geallieerde jagers die schoten op alles dat bewoog. Opeens een harde knal, vlak erna kwam het plafond los van het dak en viel in de kamer..

Als bij een instinct rolde ik naar rechts onder het bed van een gewonde soldaat. Verschrikkelijk geschreeuw vulde de kamer, paniek brak uit en er ontstond een enorme chaos. Ons werd gezegd dat geallieerd jagers de ambulances volgden om vervolgens de hospitalen aan te vallen, ondanks het feit dat er een groot rood kruis op het dak was geschilderd.

De volgende dag werden we verplaatst naar Andernach. Maar door een tekort aan ambulances werden vele in gewone trucks verplaatst. Het konvooi vertrok in het donker en we passeerden Mayen, waar veel huizen in brand stonden, de Amerikanen waren er net gestopt met bombarderen.

Het  er gelegen klooster was perfect voor een veldhospitaal, we lagen met een vijftal in een kamer, naast mij nog twee Duitsers en twee Amerikanen. De rantsoenen waren goed, bijvoorbeeld zoute aardappelen met gehaktbrood in een preisaus. Stoofvlees werd ook wel eens uitgedeeld.

We kregen dagelijks een cheroot (soort van sigaar) en een appel. De sigaar sneed ik in kleine stukken met een scheermes en mixte het met kleine stukjes appel. De tabak absorbeerde het sap van de appel en maakte er zo mijn eigen sigaretten van. Beide Amerikanen bekeken mijn klusje met groot interesse. Ik bood hen een sigaret aan. Een van de twee was een jonge tank chauffeur, zijn nekwervels waren beschadigd en hij kon alleen zijn ogen nog bewegen, ik gaf hem een sigaret en een vuurtje en hij trok een paar keer aan de sigaret. Ik herhaalde dit tot de sigaret op was.

Onze gesprekken bleven vrij simpel, dit door de taal barrière. De doktoren spraken in Engels met de Amerikanen. Er waren altijd veel gewonde Amerikanen gemengd met de Duitse gewonden, maar niemand maakte er een probleem van. De nonnen die ons er dag en nacht verzorgden waren echte engelen.

Mijn genezing ging goed voorruit en al snel kon ik met krukken door de kamer lopen. De gezondheid van de jonge Amerikaan ging achteruit, zodanig dat hij werd onderzocht door de twee doktoren en hoofdarts. Hij werd verplaatst naar intensive care waar hij een paar dagen later overleed.

Op de dag dat hij werd begraven lag zijn lichaam in een kist, omwikkeld in een Amerikaanse vlag en geladen op een wagen. Alle gewonden liepen mee, gevolgd door het medische personeel en enkele Amerikanen. Nog maar net vertrokken vloog een Amerikaanse jager over onze hoofden en iedereen dook weg om dekking te zoeken.

De twee mannen die de wagen trokken lieten los en doken ook instinctief weg. De wagen ging voort op zijn eigen vaart, tot het aan de kant van de weg kwam en omviel, waarbij de kist uit de wagen viel.. De situatie was heel gênant voor de aanwezige Amerikanen die zich er heel vaak voor verontschuldigden.

Op dit punt van de oorlog was het nieuws van het front altijd negatief. Het feit dat mijn kameraden continue hun leven op het spel zetten terwijl ik in een warm bed sliep, warme maaltijden at, maakte me ongelukkig. Kameraden die alleen licht gewond raakten en werden ontslagen uit het klooster werden gelijk terug naar het front gestuurd in zogenaamde ‘Kampfgruppen’. Veel kameraden plaatsen bij hun verwondingen expres een 1 of 2 Pfenning muntstuk in de wond zodat deze zou infecteren.

Het was 4 februari, ik werd wakker en naast mijn bed stonden twee nonnen, ze keken mij vriendelijk aan en lachten. Een non zei: “vandaag is zijn verjaardag, vandaag is het 4 february 1945, gefeliciteerd van ons allemaal.”

Ik was geheel verrast, ook niet met mijn gedachten bij m’n verjaardag geweest. Ik mocht een wens doen en maakte de opmerking dat mijn moeder vroeger altijd een taart maakte met vanille pudding en bramen saus. De overige kameraden feliciteerden me.

Een Amerikaanse soldaat, genoemd Thomas, gaf me een aansteker en een stuk zeep. Mijn eigen persoonlijke spullen was ik grotendeels kwijt, verloren geraakt tijdens mijn verwondingen; mijn portemonnee, scheergerief en zeep en meest waardevolle: een kleine lexicon die behoorde aan mijn broer die was gedood in Frankrijk. Ik had voorheen dit boekje altijd bij me.

Een grote verassing kwam tijdens het middagmaal. De hoofdnon bracht binnen een taart gevuld met vanille pudding en bramen saus! De taart werd verdeeld aan alle aanwezigen. Na het avondmaal kwam een jonge non naar me toe, die mij was toegewezen bij mijn arriveren en zette een beker op mijn bedkastje. “Een beetje thee voor de avond” zei ze. Toen ik er aan dronk merkte ik dat er wijn in zat.

Het front kwam elke dag dichter bij. Ik vroeg me al af wanneer ik ontslagen zou worden, alleen mijn voet wilde niet goed genezen. Elke keer als ik op mijn voet ging staan sprong de wond terug open. De dokter legde me uit dat de huid opzij van de voet heel dun was en gevoelig en melde nog dat ik verplaatst zou worden naar het hospitaal in Vallendar. Ik moest dan ook afscheid nemen van de mooie non Maria Laach en de anderen.

Hier stopten de memoires van Hans Poth wat betreft zijn deelname aan het Ardennen offensief als soldaat (nco) onderofficier bij het 18. Volksgrenadier division. Op 22 april 1945 tijdens een terugtocht door Duitsland werd hij gevangen genomen door Amerikanen, hij was toen al grotendeels genezen van zijn verwondingen. Hij kwam in een kampement voor pows terecht in de buurt van Brezenheim, om op een zomers dag in juni 1945 vrijgelaten te worden en een nieuw leven kon beginnen.


Behalve zijn bewaard gebleven memoires hebben we geen verdere informatie over Poth en hoe de rest van zijn leven verlopen is.


Het stadje Prüm, uitvalbasis van het 18. Volksgrenadier Division in december 1944. Werd einde fabruari 1945 terug ingenomen door de Amerikanen. Poth was toen al terug in Duitsland. Het 18. Volksgrenadier Division bestond niet echt meer, er waren in februari 1945 nog 90 man over. Na de aanval op St.Vith moesten ze stellingen betrekken naast de rivier de Ourthe.


Jongens nog, onderdeel van de Luftwaffe, gevangen genomen in de Ardennen, in de naweeën van het Ardennenoffensief begin 1945.


Het Duitse soldaten kerkhof in Recogne (Foy) ardennen. 6.800 stille getuige van het zinloze geweld genaamd oorlog. Een hele generatie belogen, geketend en vermoord door eigen politieke leiders met teveel macht. Hopelijk een blijvende reminder voor de generaties to come..